2022-03-18 Zoekt en gij zult nachtvlinders vinden

Zoekt en gij zult nachtvlinders vinden

3 april 2022, door Violet Middelman & Remco Vos

 

In de komende periode, eind maart-april-mei, beginnen er al meer soorten nachtvlinders te vliegen en rond te kruipen. Van een klein aantal soorten die de komende periode te vinden zijn, geven we hieronder wat zoektips en info. Dus ga eerst even lezen, inspiratie opdoen en daarna lekker op pad op zoek naar nachtvlinders! Zeer zeker vind je dan nog meer soorten dan hieronder genoemd worden.

 

Windevedermot - Emmelina monodactyla


Een bijzonder gevormde nachtvlinder is de Windevedermot. Dit is een soort uit de familie van de vedermotten (Pterophoridae). De achtervleugels zijn in rust niet zichtbaar. Als ze wel wat uitgespreid zijn, zie je dat deze als een soort van veders (veren) zijn. Door de vorm van de vleugels van deze soorten hebben ze hun naam gekregen.


Dit is een heel algemene soort en kan eigenlijk het gehele jaar gezien worden. De imago’s overwinteren als adult en zijn soms in die periode in huis te vinden. In het veld zijn ze goed op te jagen uit de vegetatie en komen ook op licht af. Deze zou dus redelijk makkelijk te vinden moeten zijn als je redelijk je best doet om te speuren.


Imago Windevedermot (foto Remco Vos)


Diamantborsteltje - Acleris cristana & Kameleonbladroller - Acleris hastiana


Twee soorten bladrollers die ontzettend veel op elkaar lijken, zijn het Diamantborsteltje en de Kameleonbladroller. Beide zijn ze als imago ook zeer variabel in tekening.

Het onderscheid is te zien in de borstels op de vleugels. Het Diamantborsteltje heeft op elke vleugel een heel opvallende omhoogstaande schubbenborstel. Bij de Kameleonbladroller zijn deze wat vlakker. Een ander kenmerk is de hoek van deze schubben op de vleugels. Bij de Kameleonbladroller zijn deze gericht van de kop naar de vleugelpunt \ / en bij de Diamantborsteltje van vleugelpunt naar de kop / \.


Hoe het precies zit met de verschillen kun je lezen op deze link naar microlepidoptera.nl.


Beide soorten zijn als imago het gehele jaar te vinden, de piek van het Diamandborsteltje is in april/mei en juli/augustus. De piek van de Kameleonbladroller is eind juni/begin juli. Beide soorten

komen op licht en zijn ook overdag in de vegetatie of op takken van bomen en struiken te vinden.


Imago Diamantborsteltje (foto Remco Vos)



Imago Kameleonbladroller (foto Remco Vos)


Esperiamot - Esperia sulphurella


Een heel algemene nachtvlinder is de Esperiamot. Als imago zijn ze vaak te zien op zonnige dagen vanaf half april tot in juni. De traag vliegende vlindertjes zijn veelal te vinden in de buurt van rottend hout en struiken. De rupsjes leven in dood hout van diverse soorten loofbomen.


Het zijn prachtige vlindertjes, als je ze goed in detail bekijkt hebben ze een wat blauwe weerschijn en goudgele bestuiving.


Imago Esperiamot (foto Remco Vos)

 

Gestreepte heidekokermot - Coleophora pyrrhulipennella


Een vrij lastig te vinden kokermot is de Gestreepte heidekokermot. Echter als je deze eenmaal weet te vinden zie je ze steeds vaker. Hoe vind je deze? Door de struikheide af te speuren en op zoek te gaan naar een klein glimmend zwart kokertje. Vaak zitten de kokertjes aan de bovenste takken van de struiken.


Het kokertje is gemaakt van een zijde-achtig spinsel en wordt naarmate het rupsje groeit steeds groter gemaakt. Uiteindelijk zal het kokertje zo’n 9 mm groot worden. Het kokertje is eerst wit, maar verkleurd al snel naar een intens zwarte kleur, dit komt waarschijnlijk door afscheiding van bepaalde stoffen door de rups.


Koker Gestreepte heidekokermot (foto Remco Vos)


Blaasjespistoolkokermot - Coleophora kuehnella


Een redelijk eenvoudig te vinden koker is die van de Blaasjespistoolkokermot. Op de bladeren van eik zijn, meestal aan de bovenkant, de opvallend gevormde kokers te vinden. Net als de rups van de Gestreepte heidekokermot is dit kokertje gemaakt van een zijde-achtig spinsel, maar dat wordt op de één of andere manier een soort van opgeblazen tot een pistoolvormige koker met een blaasvormige mantel.


De kokers zijn het hele jaar door te vinden, met een piek in mei/juni. Dit is vlak voor de vliegtijd van de imago's die dan begint, met een piek in eind juni/begin juli.


Let op, er is een gelijkende soort koker te vinden op eik, namelijk die van de Geelsnuiteikenkokermot (Coleophora ibipennella). Deze mist echter de blaasvorige mantel.


Koker Blaasjespistoolkokermot (foto Remco Vos)


Dwerglangsprietmot - Cauchas fibulella


Op en bij gewone ereprijs en mannetjesereprijs kun je in mei de imago’s van de Dwerglangsprietmot zien zitten of fladderen. Het zijn kleine vlindertjes met een spanwijdte van zo’n 8 tot 11 mm. De antennes zijn, zoals de naam al zegt, bij alle langsprietmotten vrij lang, maar in verhouding niet zo lang als bij andere langsprietmotten. Het is een vrij algemene soort die vooral in de duinen en op de zandgronden in het binnenland wordt gezien.


Imago Dwerglangsprietmot (foto Remco Vos)

 

Pinksterbloemlangsprietmot - Cauchas rufimitrella


Als je bij het zoeken naar de Oranjetipjes op de pinksterbloemen goed oplet kun je ook de Pinksterbloemlangsprietmot tegenkomen. Dit is een heel algemene soort, maar toch altijd leuk om te vinden. Ze zijn net iets groter dan de Dwerglangsprietmot, met een spanwijdte van 9 tot 12 mm. Deze soorten hebben wel hele lange sprieten. De sprieten van de mannetjes tot wel twee keer zo groot als de voorvleugellengte, die van de vrouwtjes zo’n anderhalf keer.


Imago Pinksterbloemlangsprietmot (foto Remco Vos)

 

Purpermotten (Familie Eriocranidae)


Als de eiken weer bladeren hebben gevormd zijn er al snel mijnen van een purpermot te vinden, de Eikenpurpermot (Dyseriocrania subpurpurella). Op haagbeuk en soms op hazelaar, zit een zeldzame soort, de Slanke purpermot (Paracrania chrysolepidella). Deze laatste soort is tot nu toe in Nederland alleen gevonden in Zuid-Limburg.


Maar op berk zijn de meeste soorten te vinden namelijk de Zilvervlekpurpermot (Heringocrania unimaculella), Roze purpermot (Eriocrania cicatricella), Variabele purpermot (E. semipurpurella) en Grijsrupspurpermot (E. sangii). De rupsjes van al deze soorten maken een grote, voldiepe, witte mijn die begint aan de bladrand, waarbij de frass in lange draden in de mijn achterblijft. Alleen een mijn is dus in veel gevallen niet voldoende om te weten welke soort het betreft.


Voor Nature Today hebben wij een artikel geschreven over deze soorten, lees er hier meer over. Dan krijg je foto's en meer uitleg over de mijnen en rupsen van de diverse soorten purpermotten.


Mijn met rupsen van de Roze purpermot (Foto Remco Vos)


Geraadpleegde bronnen o.a.


www.microvlinders.nl


www.vlinderstichting.nl


www.lepiforum.de/lepiwiki.pl


Stainton, H. T. (1859): The natural history of the Tineina 4: I-IX, 1-292, pl. I-VIII. London (John van Voorst) – Paris (Deyrolle) – Berlin (E. S. Mittler und Sohn). — Digitalisat auf archive.org: [252-259], [pl. VII fig. 3].